terug naar startpagina
home | contacteer | feedback
share

Gentse handelaars verwarmen buitenlucht

Veel Gentse handelaars nemen het begrip open deur nogal letterlijk. Een telactie uitgevoerd door het Gents MilieuFront wijst uit dat nogal wat handelaars eigenhandig de buitenlucht willen opwarmen.

De slechtst scorende straat is de Veldstraat: daar staat 88 percent van de winkels permanent open tijdens de winkeluren. Ook de regio Korenmarkt en Lange Munt scoren slecht: ruim 45 percent van de winkels staan wagenwijd open. Sommige winkels vertonen zelfs een structureel probleem: de winkels hebben gewoonweg geen deuren en worden gesloten door middel van een rolluik. “De vraag is of dergelijke structuren nog wel kunnen in deze tijd waar energiezuinig bouwen een verplichting geworden is.” zegt Jasmin Lauwaert van het Gents MilieuFront.

Uit onderzoek uitgevoerd door het Nederlandse TNO blijkt dat een deur van 3 bij 2 meter die het gehele jaar openstaat een warmteverlies betekent van ongeveer 80.000 kWh. “Dat is het gasverbruik van bijna 4 gezinnen gedurende één jaar en dat met één openstaande deur!” vervolgt Jasmin. Dit verlies kan gereduceerd worden door een luchtgordijn, maar dichtgaande deuren kunnen het warmteverlies beperken met 40 tot 85 percent. Een nog betere oplossing is een draaideur of een tochtportaal met twee deuren waarbij je een reductie van het energieverbruik van bijna 95% kan halen. “In de Gentse binnenstad alleen al staan 128 winkels permanent open. Dat betekent dat het gasverbruik van honderden Gentse gezinnen gewoon de buitenlucht wordt ingeblazen”, besluit Jasmin.

Dat het ook anders kan, wordt duidelijk in de andere winkelstraten: van de vijftig winkels aan de Vogelmarkt en de Brabantdam staat geen enkele deur open. En toch zie je dat deze winkels ook veel klanten binnenhalen. Uit een ander recent1 Nederlands onderzoek, door SenterNovem, blijkt trouwens dat het aantal klanten niet daalt door de gesloten deuren.

1 Pilot energiebesparing automatische entreedeur bij DA drogist. Rapport van 15 september 2009 in opdracht van SenterNovem, Agentschap van het Nederlandse Ministerie van Economische Zaken